We gebruiken cookies om je de best mogelijke ervaring op onze website kunnen aanbieden. Als je doorgaat met het gebruiken van de site stem je hier mee in.
De afgelopen dagen ging het op LinkedIn veel over de nieuwe signaleringswaarden. Vooral over de vraag of de lat nu omhoog of omlaag gaat. De vraag die bestuurders en kwaliteitsmedewerkers daarna stellen is praktischer: hoe krijgen we dit voor onze eigen scholen in beeld?
Daar hebben we een werkwijze voor uitgeschreven. Zes stappen, in een pdf van twee pagina’s.
Wat erin staat:
Hoe je de schoolweging koppelt aan de juiste categorie, inclusief de randgevallen. Bij een ronde weging geldt de hoogste categorie, en dat scheelt drie procentpunt.
Waarom je het driejaarsgemiddelde opnieuw moet doorrekenen op alleen de doorstroomtoetsen. Dit is de stap die het vaakst wordt overgeslagen. Leg je het oude gemiddelde, waar de eindtoets nog in zit, naast de nieuwe lat, dan vergelijk je twee dingen die niet vergelijkbaar zijn.
Waarom 1F een apart oordeel is en bij hooggewogen scholen de knellende indicator kan worden.
Welk patroon je over een heel bestuur heen ziet, en waarom dat bij een grote spreiding twee kanten op schuift.
Hoe je de scholen zichtbaar maakt die binnen een procentpunt van de waarde staan. Dat is de groep waar een enkel toetsjaar het oordeel bepaalt.
Wat de inspectie verwacht in de verantwoording, want onder de signaleringswaarde uitkomen is geen automatisch onvoldoende.
Voor wie het is: bestuurders, kwaliteitsmedewerkers en IB’ers die dit bestuursbreed of schoolbreed willen doorrekenen. Met een bestuursbestand is het werk van een dagdeel.